Reumatoïde artritis wordt te laat behandeld
De internationale richtlijnen stellen dat de patiënten zo snel mogelijk na het verschijnen van de cardinale symptomen van reumatoïde artritis zouden moeten worden behandeld en idealiter uiterlijk binnen de 12 weken. In de praktijk blijkt dat die termijn ruim wordt overschreden. Dat is de conclusie van een studie die bij 150 huisartsen werd uitgevoerd tussen 2009 en 2012.
Metotrexaat en biologische geneesmiddelen (zoals TNF-alfa-antagonisten) zijn de gouden standaard bij de behandeling van reumatoïde artritis (RA). Bij de meeste patiënten worden uitstekende resultaten behaald. De behandeling moet dan wel tijdig worden ingesteld om een verergering van de ziekte tegen te gaan en het optreden van irreversibele letsels te voorkomen. De meeste auteurs zijn het erover eens dat een termijn van meer dan 12 weken negatieve invloed kan hebben op de respons op de behandeling. Hoe zit dat in de praktijk en verschilt de snelheid waarmee de behandeling wordt gestart, volgens de zorgstructuur die de patiënt het eerst opvangt?
11 weken te laat
Deze studie1 heeft acht praktijken onderzocht: een universitair ziekenhuis, vijf algemene ziekenhuizen en twee privépraktijken. In het totaal werden 156 patiënten met een reumatoïde artritis (CRP: 4,7, HAQ: 0,98) die nog geen DMARD hadden gekregen, gevolgd. De mediane tijd tussen het optreden van de symptomen en het starten van de behandeling in de totale groep bedroeg 23 weken. Slechts bij een vijfde van de patiënten werd binnen de 12 weken een basisbehandeling gestart. De behandeling werd sneller gestart bij de patiënten die in de privépraktijk werden gezien, dan bij de patiënten die in het universitaire ziekenhuis of de algemene ziekenhuizen werden gezien (p < 0,001). De RA-patiënten die binnen de 12 weken na het opkomen van de symptomen werden behandeld, vertoonden een hoge ziekteactiviteit. De tijd tot behandeling door de reumatoloog vertoonde een negatieve correlatie met de ziekteactiviteit. De patiënten met ochtendstijfheid werden gemiddeld drie weken eerder behandeld dan patiënten zonder ochtendstijfheid. In een vrij groot aantal gevallen waren de patiënten echter zelf verantwoordelijk voor het laattijdige starten van de behandeling. De patiënten hebben immers niet meteen door, wat overigens begrijpelijk is, dat de gewrichtspijn een cardinaal symptoom van een chronische ontstekingsziekte kan zijn.