Waar moet research bij T2D naartoe?

Eind 2013 is een groep experten, samen met de Endocrine Society en de American Diabetes Association, tot een consensus gekomen wat de richting van de toekomstige research betreft rond het falen van de bètacel bij type 2-diabetes (T2D). Een samenvatting van mogelijke mechanismen en aanbevelingen werd nu gepubliceerd.
Centraal in de ontwikkeling en de evolutie van type 2-diabetes staat een progressief falen van de bètacel. Verschillende interventies kunnen de bètacelfunctie tijdelijk verbeteren waardoor de glykemiecontrole verbetert. Deze achteruitgang van de bètacel stoppen of zelfs omkeren is tot nu toe evenwel onmogelijk (misschien met uitzondering van gastric bypass).
Wat gebeurt er met de bètacel?
Deterioratie van de bètacelfunctie gaat het begin van T2D vooraf en is er zelfs predictief voor. Het proces wordt deels genetisch bepaald en kan nauwkeurig worden opgespoord, hoewel de testen omslachtig zijn en niet gestandaardiseerd. Het debat omtrent de relatieve bijdragen van een verminderde bètacelfunctie en -massa tot de klinische manifestaties van bètaceldysfunctie is echter nog niet gesloten. Wat nodig is, zijn precieze niet-invasieve methoden om de veranderingen in bètacelfunctie en -massa in de tijd op te volgen.
De pathofysiologische wegen die leiden tot een verminderde werking en verminderd aantal bètacellen zijn talrijk, en sommige kunnen het gevolg zijn van het proces dat de bètaceldysfunctie in gang zet.
Ook het proces van dedifferentiatie van de bètacel in T2D wint opnieuw aandacht. Zelfs in de stadia van gevorderde T2D blijft een aantal residuele bètacellen bestaan en hun aantal wordt mogelijk onderschat door het ontbreken van merkers voor de bètacelidentiteit in gededifferentieerde cellen.
Genetica en epigenetica
De meeste genen die gepaard gaan met T2D, worden eveneens in verband gebracht met een verminderde bètacelfunctie bij niet-diabetici. De expressie van deze genen is evenwel niet beperkt tot de bètacellen, maar is ook mogelijk in andere weefsels waar hun dysfunctie eveneens de glucosehomeostase kan verstoren en dus indirect de werking van de bètacellen. Andere genetische variaties bij diabetes, frequente en minder frequente, zullen opduiken naarmate de impact van genetische studies toeneemt; deze bevindingen omzetten naar biologische inzichten zal de volgende uitdaging zijn.
Ook de studie van de epigenetica van de bètacel bij T2D moet nieuwe inzichten geven. Deze studies worden echter beperkt door het kleine aantal beschikbare eilandjes van patiënten met T2D en de moeilijkheid om oorzaak en gevolg bij hyperglykemie te onderscheiden.
Door de domeinen voor toekomstige research af te bakenen, hopen de onderzoekers tot een betere preventie van T2D te komen en tot therapieën met een duurzamer voordeel op de bètacelfunctie dan vandaag het geval is.