Automutilatie: ingrijpen? Onmiddellijk?
Misschien hoef je niet in te grijpen in geval van automutilatie zolang er geen al te hoog risico op zelfmoord is. Er zijn daar echter niet zoveel gegevens over.
Deense onderzoekers hebben een cohortonderzoek uitgevoerd om het effect van een psychosociale therapie te evalueren bij mensen die blijk gaven van automutilatie. Ze hebben voor elke behandelde patiënt 3 niet-behandelde patiënten gerekruteerd en ze hebben 31 risicofactoren onder de loep genomen. Ze hebben dan het risico op automutilatie, zelfmoord en sterfte wegens een andere oorzaak geëvalueerd na 1, 5, 10 en 20 jaar follow-up.
5678 patiënten hebben een psychosociale behandeling gekregen, goed voor een totale follow-up van 428 282 patiëntjaren. Die patiënten werden vergeleken met 17 034 patiënten die geen psychosociale behandeling hadden gekregen. Over een periode van 20 jaar hebben 937 patiënten uit de groep die een psychosociale behandeling had gekregen (16,5%), de zelfbeschadiging herhaald en zijn 391 patiënten van die groep (6,9%) gestorven, van wie 93 door zelfmoord. De psychosociale behandeling verlaagde het risico op automutilatie binnen één jaar met 27% (OR = 0,73; 95% BI 0,65-0,82) en de totale sterfte met 31% (OR = 0,69; 95% BI 0,47-0,82). Ook op lange termijn waren de effecten indrukwekkend: daling van het absolute risico op automutilatie met 2,6% (NNT = 39), relatieve daling van het zelfmoordrisico met 25% (daling van het absolute risico met 0,5%) en relatieve daling van de totale sterfte met 31% (absolute daling met 2,7%). Met andere woorden, dankzij de psychosociale interventie konden 145 episoden van automutilatie en 153 sterfgevallen (van wie 30 door zelfmoord) worden voorkomen.
Dat bewijst het belang van een snelle aanpak, mocht dat nog nodig zijn, om het risico op herhaalde automutilatie en het zelfmoordrisico op korte en lange termijn te verlagen.