Minister vraagt juridisch advies
RIZIV waakt over de wachttijd van 6 dagen voor abortus
Het RIZIV vraagt centra voor gezinsplanning die zwangerschapsafbrekingen uitvoeren om elke situatie waarin de wettelijke wachttijd van zes dagen niet is toegepast, te rechtvaardigen. Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vraagt juridisch advies over deze praktijk.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Kamerlid Caroline Désir (PS) stelde tijdens de vergadering van de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 10 maart een mondelinge vraag over ‘De controles op de abortuspraktijk’.
RIZIV vraagt rechtvaardiging voor niet respecteren wachttijd
Het Kamerlid wijst erop dat de centra voor gezinsplanning die zwangerschapsafbrekingen uitvoeren, dit jaar een nieuw activiteitenrapportformulier hebben ontvangen van het RIZIV. Zij moeten daarin nauwkeurig elke situatie waarin de wettelijke wachttijd van zes dagen niet is toegepast, rechtvaardigen.
De zwangerschapsafbrekingswet van 15 oktober 2018 schrijft echter geen verplichting tot gedetailleerde rechtvaardiging voor, noch enige administratieve controle op de gepastheid van het afzien van de wachttijd, aangezien dit uitsluitend onder de medische beoordeling valt.
(Artikel 2, 2° van de wet zwangerschapsafbreking bepaalt dat de arts de zwangerschapsafbreking niet eerder kan verrichten dan zes dagen na de eerste raadpleging, behoudens indien er voor de vrouw een dringende medische reden bestaat om de zwangerschapsafbreking te bespoedigen, H.N.).
Door deze eis in te voeren, lijkt het RIZIV duidelijk buiten het vastgestelde wettelijke kader te treden, stelt Désir. Dit nieuwe verzoek komt bovenop een overeenkomst die in juni 2024 is verzonden en die al een artikel bevatte waarin de centra werden herinnerd aan hun verplichting om de wet na te leven, wat als een teken van wantrouwen werd ervaren.
De hele situatie creëert een klimaat van administratieve druk rondom een praktijk die echter strikt gereguleerd en volkomen legaal is. Désir vroeg Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke of hij op de hoogte was van deze nieuwe eis van het RIZIV.
Kan het RIZIV een dergelijke rechtvaardiging eisen, die duidelijk verder gaat dan wat de wetgeving voorschrijft? Is de minister van plan dit te bekijken om ervoor te zorgen dat de verzoeken in het activiteitenverslag strikt binnen het wettelijk kader vallen?
Minister heeft juridisch advies gevraagd
De minister antwoordde dat hij onlangs op de hoogte was gebracht van deze situatie. Vorige week ontving hij een brief van een centrum waarin zijn aandacht op deze kwestie werd gevestigd.
Het RIZIV heeft een overeenkomst gesloten met 36 centra voor de vergoeding van de kosten van psycho-medische en sociale ondersteuning bij ongewenste zwangerschappen door de verplichte ziekteverzekering. In het kader hiervan dienen de betreffende centra jaarlijks een activiteitenverslag in, waarmee hun werking en de toepassing van de overeenkomst kunnen worden geëvalueerd.
Sinds januari 2026 is aan dit verslag een extra vraag toegevoegd over situaties waarin wordt afgeweken van de wachttijd van zes dagen.
De minister benadrukte in dit verband dat het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot zwangerschapsafbreking onder de verantwoordelijkheid valt van de Nationale Commissie voor de Evaluatie van Zwangerschapsafbrekingen.
Om deze kwestie verder te onderzoeken heeft de minister recent een juridisch advies hierover opgevraagd. Hij wil dit advies analyseren, evenals de andere onderdelen van het dossier, met name met betrekking tot de mogelijke extra administratieve last voor de centra.
Op basis hiervan kan worden onderzocht of deze extra sectie in het activiteitenverslag noodzakelijk en passend is. Hij zal deze zaak daarom nauwlettend volgen.