Britse huisartsen formuleren tien aanbevelingen
Preventie past niet in tien minuten
Huisartsen zijn bijzonder goed geplaatst om ziekte te voorkomen, maar missen daarvoor tijd, personeel en middelen. Het Britse Royal College of General Practitioners pleit in een recent gepubliceerd rapport voor meer investeringen in de eerste lijn, langere consultaties en meer continuïteit. Tegelijk waarschuwt het voor slecht onderbouwde screening en overmedicalisering.
De vergrijzing, de toename van multimorbiditeit en de dalende gezonde levensverwachting maken preventie steeds belangrijker. Toch blijft de financiering volgens het Royal College of General Practitioners (RCGP) sterk gericht op acute zorg. In het Verenigd Koninkrijk gaat al meer dan tien jaar slechts ongeveer 6% van de totale gezondheidsuitgaven naar preventie.
Geen vertrouwen in AI
Nochtans kan de huisarts daarin een sleutelrol spelen. Huisartsen en hun teams staan niet alleen in voor vaccinatie, screening en vroegdetectie, maar begeleiden ook patiënten met chronische aandoeningen en proberen complicaties te voorkomen. Door hun langdurige relatie met patiënten kunnen zij bovendien gezondheidsadvies afstemmen op iemands medische én sociale situatie.
In een peiling in opdracht van het RCGP zei 64% van de respondenten dat ze gezondheidsadvies van hun huisarts zouden volgen. Voor een NHS-website was dat 51%, voor familie en vrienden 22% en voor artificiële intelligentie amper 7%.
Te weinig tijd
Net die preventieve rol komt onder druk te staan. Drie op de vier Britse huisartsen zeggen onvoldoende tijd te hebben om patiënten advies te geven over onder meer vaccinatie, zelfzorg, leefstijl en gezondheidsvaardigheden. Consultaties van tien minuten moeten steeds complexere zorgvragen opvangen, waardoor acute problemen voorrang krijgen op vroegdetectie en begeleiding.
Het RCGP koppelt preventie daarom nadrukkelijk aan voldoende huisartsencapaciteit en relationele continuïteit. Een duurzame arts-patiëntrelatie wordt geassocieerd met minder sterfte, minder spoedcontacten en ziekenhuisopnames en een hogere deelname aan screeningsprogramma’s.
De mogelijkheden zijn bovendien ongelijk verdeeld. Praktijken in de meest achtergestelde gebieden tellen ongeveer honderd patiënten meer per voltijdse huisarts dan praktijken in welvarende regio’s. Na correctie voor de grotere zorgbehoeften ontvangen ze toch 9% minder financiering. Daardoor werkt ook bij preventie de inverse care law: wie ondersteuning het hardst nodig heeft, krijgt er vaak het minst toegang toe.
Overmedicalisering
Het rapport onderscheidt vier niveaus van preventie. Primaire preventie wil ziekte voorkomen, bijvoorbeeld door vaccinatie of begeleiding bij stoppen met roken. Secundaire preventie richt zich op vroegdetectie, terwijl tertiaire preventie de gevolgen van een bestaande aandoening probeert te beperken.
Het vierde niveau, quaternaire preventie, krijgt opvallend veel aandacht. Daarbij beschermt de arts patiënten tegen overmedicalisering, onnodige onderzoeken en behandelingen waarvan de mogelijke schade groter is dan de verwachte winst. Volgens de Britse overheid wordt ongeveer 10% van de geneesmiddelen in Engeland overmatig voorgeschreven. Jaarlijks zou voor 300 miljoen pond aan medicatie verloren gaan.
Preventie mag volgens het RCGP daarom niet automatisch met méér geneeskunde worden gelijkgesteld. Ook screeningsprogramma’s kunnen leiden tot overdiagnose, angst en vervolgonderzoeken zonder aantoonbare gezondheidswinst. Preventieve interventies moeten aan dezelfde eisen inzake bewijs, evaluatie en kosteneffectiviteit voldoen als behandelingen.
Tien aanbevelingen
Het RCGP formuleert tien aanbevelingen. Het vraagt onder meer een groter aandeel van het gezondheidsbudget voor de huisartsgeneeskunde, voldoende huisartsen, langere consultaties en financieringssystemen die generalistische en proactieve zorg belonen. Huisartsen moeten ook beschermde tijd krijgen voor permanente vorming.
Daarnaast pleit de organisatie voor onafhankelijk toezicht op screeningsprogramma’s, betere praktijkgebouwen en digitale infrastructuur, meer onderzoek naar de langetermijneffecten van preventie en een duidelijke verantwoordelijke voor preventie binnen elk lokaal zorgsysteem.
De huisarts kan de gevolgen van slechte huisvesting, armoede, luchtverontreiniging of ongezonde voeding echter niet alleen opvangen, benadrukt het rapport. Effectieve preventie vergt ook maatregelen op het vlak van onderwijs, werk, mobiliteit, leefmilieu en ruimtelijke ordening. “Gezondheid in alle beleidsdomeinen” vormt daarom de laatste en wellicht meest fundamentele aanbeveling.