Kamercommissie Gezondheid: artsen centraal in de hervormingen
In de Commissie Gezondheid van de Kamer stonden op 22 april 2026 heel wat vragen op de agenda die artsen aanbelangen: "digitale" nomenclatuur, chirurgische opleiding, "000"-artsen, antibiotica, patiënten die niet opdagen, telemonitoring, en toestemming bij intieme onderzoeken... Een overzicht.
1. Nomenclatuur: de digitale transformatie
De hervorming van de medische nomenclatuur krijgt stilaan vorm. Het doel is om over te stappen van een complex, tekstgebaseerd systeem (in wezen een stapel pdf-documenten) naar een gestructureerde, machineleesbare digitale nomenclatuur, georganiseerd niet primair op basis van specialisme, maar op basis van de topografie van het menselijk lichaam.
De hervorming zal naar verwachting op 1 januari 2029 ingaan. Voor artsen, ziekenhuizen en softwareleveranciers zal de impact aanzienlijk zijn: nieuwe codes, aanpassing van facturatiesystemen, integratie in patiëntendossiers en het risico op administratieve overbelasting.
Hierover ondervraagd door Irina De Knop (Anders) verzekert minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke dat het RIZIV een tijdlijn heeft vastgesteld en dat de sector hierover tijdens een kick-off event werd geïnformeerd. De Knop bleef zitten met vragen over welke risico’s er zijn bij de implementatie, op welke manier zal worden vermeden dat de digitalisering bijkomende administratieve lasten veroorzaakt, en hoe er tussentijds zal worden geïnformeerd.
2. Opleiding chirurgie
De opleiding chirurgie wordt hervormd naar een systeem met drie jaar basisopleiding gevolgd door drie jaar subspecialisatie, met inwerkingtreding op 1 juli 2026. Irina De Knop wees op de onzekerheid van laatstejaarsstudenten en vroeg om verduidelijking van de situatie.
Vandenbroucke antwoordde dat kandidaten die op 1 juli al een stageplan in uitvoering hebben, waaronder laatstejaarsassistenten, twee mogelijkheden hebben. Ofwel werken zij hun bestaande stageplan af en behalen zij de huidige titel heelkunde. Ofwel vragen ze een aangepast stageplan (met het ASO-statuut) aan om een van de nieuwe beroepstitels te behalen.
Een automatische erkenning is niet mogelijk. Reeds verworven competenties moeten worden aangetoond en eventueel worden aangevuld via een compenserend stageplan.
Wie eerst de huidige titel behaalt en nadien een bijkomende specialisatietitel nastreeft, moet rekening houden met de minimale opleidingsduur die door de Europese regelgeving wordt opgelegd, met mogelijke vrijstellingen tot maximaal drie jaar, die geval per geval worden beoordeeld.
De bezorgdheid over intieme onderzoeken mag niet 'tot een contraproductieve verlamming in het optreden van zorgverstrekkers' leiden.
3. Sekseverschillen en intieme onderzoeken
De Knop stelde ook een vraag over sekseverschillen in geneeskunde en farmacologie. De minister bevestigde dat hij het KCE heeft gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de verschillen tussen mannen en vrouwen op het vlak van ziektesymptomen, preventie en behandeling, wat in het regeerakkoord als belangrijk punt aangestipt staat.
In een vraag rond intieme onderzoeken stelde Irina De Knop dat sommige mannelijke artsen uit vrees voor klachten of misverstanden vrouwelijke patiënten voor een intiem onderzoek doorverwijzen naar vrouwelijke collega's.
Vandenbroucke stelde dat dergelijke bezorgdheid niet 'tot een contraproductieve verlamming in het optreden van zorgverstrekkers' mag leiden. Hij benadrukte dat de wet op de patiëntenrechten houvast biedt: duidelijke informatie, toestemming, de mogelijkheid om vragen te stellen en de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon aanwezig te laten zijn.
De Knop stelde voor om de FOD Volksgezondheid over het thema te laten communiceren.
4. De controle op 000-artsen
000-artsen zijn geen huisartsen, maar kunnen prestaties aanrekenen en onder meer medicatie, arbeidsongeschiktheid, klinische biologie en beeldvorming voorschrijven. Irina De Knop kaartte aan dat het voor patiënten vaak onduidelijk is met welk type arts zij precies te maken hebben, en vroeg om deze beroepsgroep grondiger in kaart te brengen.
Vandenbroucke erkende dat er te weinig gegevens zijn, en zal het RIZIV vragen om die bij volgende analyses mee te nemen. Hij noemde het "niet aanvaardbaar" dat patiënten vandaag niet duidelijk weten of zij een erkend huisarts consulteren dan wel een 000-arts.
Hij verwees naar het actieplan Handhaving 2026-2030 om de controle op deze beroepsgroep te versterken.
5. Antibioticavoorschrijfgedrag bij huisartsen
Zoals Artsenkrant al eerder berichtte, is het aantal patiënten dat antibiotica krijgt met ongeveer 14% gedaald tussen 2023-2024 en 2024-2025, met een overeenkomstige daling van het totale volume.
Er werden drie best practice-indicatoren ontwikkeld om huisartsen te helpen onnodige voorschriften te verminderen. In antwoord op een vraag van Irina De Knop noemde Vandenbroucke de resultaten van de indicatoren bemoedigend, maar hij wees er ook op dat België nog steeds boven het OESO-gemiddelde ligt.
Het is ook onmogelijk om de daling uitsluitend aan de indicatoren toe te schrijven, aangezien er ook andere instrumenten zijn gebruikt: de antibioticabarometer, vorming via LOK-trainingen en het nationale plan tegen antimicrobiële resistentie.
POC-CRP-tests (Point Of Care – C-reactief proteïne, een test die huisartsen kan helpen om bij patiënten met bijvoorbeeld luchtweginfecties beter te beoordelen of een antibioticumbehandeling aangewezen is) worden nog niet vergoed binnen de nomenclatuur, maar het RIZIV onderzoekt de mogelijkheid van terugbetaling.
"Ik zou niet durven vragen om die no-shows ook nog eens te registreren, want we vragen al zoveel registratie en gegevens."
6. No-shows bij huisartsen
Irina De Knop wees erop dat in veel huisartsenpraktijken zogenaamde “no-shows", patiënten die niet opdagen op een gemaakte afspraak, een terugkerend probleem vormen.
Vandenbroucke erkende het probleem, maar benadrukte dat er geen landelijke cijfers zijn, omdat het afsprakenbeheer afhankelijk is van de individuele praktijken. En: "ik zou niet durven vragen om die no-shows ook nog eens te registreren, want we vragen al zoveel om registratie en gegevens.
Mogelijke oplossingen zijn dus te zoeken op lokaal niveau: sms- of e-mailherinneringen, voorafgaande duidelijke afspraken over annuleringen en waarschuwingsprocedures bij herhaaldelijk niet opdagen. Vandenbroucke wil wel samen met de sector het bestaande overlegmodel bekijken om te zien welke bijkomende maatregelen kunnen bijdragen aan een vermindering van no-shows - een nogal vrijblijvend antwoord, volgens De Knop.
7. Het ziekenhuis van Chimay
Anthony Dufrane (MR) haalde de situatie van het CSF (Centre de Santé des Fagnes) in Chimay aan als voorbeeld van de spanning tussen ziekenhuishervorming en toegang tot gezondheidszorg in landelijke gebieden. Verschillende diensten in het ziekenhuis zijn al ingekrompen: intensive care, chirurgie, verloskunde en diabetesconsultaties.
De concrete gevolgen zijn volgens Dufrane zichtbaar: Diabetespatiënten onderbreken hun behandeling vanwege een gebrek aan toegankelijke gespecialiseerde nazorg, met aantoonbare fatale risico's, terwijl huisartsen gevraagd worden bevallingen te doen. Hij vroeg of de regering over deze landelijke ziekenhuizen een stelling inneemt
Vandenbroucke antwoordde dat er nog geen besluit is genomen over ziekenhuishervorming en dat de territoriale spreiding onder de bevoegdheid van de federale entiteiten valt. Op dit moment is er geen specifieke federale toezegging met betrekking tot het behoud of de afschaffing van een spoeddienst of een mobiele intensive care-unit op een specifieke ziekenhuislocatie.
8. Telemonitoring vertraagt
Irina De Knop haalde aan dat ziekenhuizen voor de telemonitoring en therapiebegeleiding bij chronisch hartfalen gebruikmaken van één telemonitoringplatform bij eenzelfde private firma, maar dat de overheid zelf een platform wil creëren dat werkt op eHealth - wat impliceert dat er twee jaar lang geen enkel nieuw zorgpad via telemonitoring kan worden opgestart.
Vandenbroucke zei dat de pilootprojecten rond telemonitoring bedoeld waren om tools te ontwikkelen die geïntegreerd zijn in het eHealth-ecosysteem. Het ontwikkelde platform is echter niet geïntegreerd in het eHealth-ecosysteem. Daarnaast vroeg de ontwikkelaar 2 miljoen euro per jaar voor het onderhoud van het platform en de integratie met de ziekenhuizen, en is er geen overdracht van eigenaarschap gebeurd door de ontwikkelaar.
De regering heeft daarom eind 2025 haar strategie herzien om meer gebruik te maken van bestaande componenten, zoals het digitale verwijsvoorschrift en de vier hubs, om parallelle systemen en bijkomende complexiteit te vermijden. De ontwikkelde standaarden worden verder hergebruikt. De eerste pilotprogramma's zouden begin 2027 van start kunnen gaan.
9. Conventionering en extramurale zorg
De conventioneringsgraad voor het nieuwe akkoord artsen-ziekenfondsen bedraagt 85,72%. Irina De Knop wees op aanzienlijke verschillen afhankelijk van het specialisme, en de regio. In bepaalde, vooral extramurale disciplines zoals dermatologie en (in Vlaanderen) tandheelkunde, werd de drempel van 60% niet behaald. Dat wijst er volgens haar op dat bepaalde disciplines ondergefinancierd worden.
Minister Vandenbroucke zei dat er moeilijk een lijn in te trekken is in de cijfers. Zo ligt het conventiepercentage voor huisartsen in Vlaanderen hoger dan in de twee andere gewesten en voor de specialisten is dat andersom, en zijn in het arrondissement Diksmuide en de provincie Luik meer dan 80% van de tandartsen geconventioneerd. Dat wijst er volgens hem op dat het "simplistisch is om te zeggen dat de huidige tarieven geen state of the art zorg kunnen toelaten zonder dat men supplementen vraagt.
Extramurale praktijken hebben volgens Vandenbroucke een rol te spelen en moeten voldoen aan dezelfde kwaliteits- en veiligheidsvoorwaarden als intramurale zorg in ziekenhuizen.